Mobile nav

Publication

Home >> Publications >> Publication
Pijlman MSc, J. 2009. Weidegang in de biologische melkgeitenhouderij: Resultaten onderzoek 2008. Louis Bolk Instituut, Driebergen. 71 p.

Number of pages: 71

Type of document: Report

Download full text pdf, 2,3 MB; opens in new window

More information on authors/freelancers connected to LBI :
Jeroen Pijlman


Language of document: Dutch

Titel in Nederlands: Weidegang in de biologische melkgeitenhouderij: Resultaten onderzoek 2008

Abstract / samenvatting in Nederlands:

Weidegang is een belangrijk middel in de biologisch melkgeitenhouderij om zich te onderscheiden van gangbare productie en vanaf 2010 verplicht voor alle biologische melkgeitenhouders. Het weiden met geiten blijkt in de praktijk moeilijk vanwege met name arbeid, droge stof opname en maagdarmwormen. In Frankrijk is veel onderzoek gedaan naar weidegang met melkgeiten. Dit onderzoek is gedaan om informatie te winnen rondom weidegang in Nederland en dit te kunnen vergelijken met Franse literatuur.
Tijdens de zomer van 2008 zijn drie beweidingsproeven op 4,5 ha grasklaver met Nederlandse witte geiten uitgevoerd op het biologisch dynamische landbouwbedrijf Gerbranda State in Friesland.
De groei en voeropname van 60 lammeren in de wei en 22 lammeren in de stal werden vergeleken. Tijdens de meetperiode, van 4 juni tot 27 augustus 2008, was de groei van de lammeren in de weide significant lager dan op stal. De weidende lammeren hadden een tragere groei tijdens de eerste weken, en er was een periode met negatieve groei waarbij de lammeren diarree hadden. Tijdens twee tussenliggende perioden van drie weken was de groei niet verschillend tussen de groepen. De stalgroep en weidegroep ontvingen 0,45 en 0,15 kg droge stof krachtvoer. De totale droge stof opnames van de stalgroep en weidegroep waren 4,1% en 4,3% van het lichaamsgewicht. Beide groepen konden in hun energie- en eiwitbehoeften voorzien.
De voeropname en melkproductie van 279 melkgeiten tijdens stripgrazen en omweiden werden vergeleken. Tijdens de proefperiode van 21 juni tot 26 juli werden geen significante verschillen gevonden tussen stripgrazen en omweiden van melkgeiten. De gemiddelde gras-, kuil- en krachtvoeropnames waren tijdens stripgrazen 0,55; 0,88 en 0,99 kg droge stof en tijdens omweiden 0,62; 0,87 en 0,99 kg droge stof. De droge stof opname was lager dan de behoefte, maar er werd in de energie- en eiwitbehoeften voorzien. De melkproducties tijdens het stripgrazen en omweiden waren 2,36 en 2,38 kg meetmelk/ geit/ dag.
De gedragspatronen van de lammeren en melkgeiten tijdens het weiden werden vastgelegd. Observaties eind juli toonden dat melkgeiten ’s ochtends de hoogste graasactiviteit (max. 45%) hadden, en de activiteit nam af tot gemiddeld 15% in de middag. Tussen 11:00 en 12:00 uur was er een korte piek (>30%) in graasactiviteit. Lammeren graasden het minst tijdens de ochtend, meer tijdens de middag (kleine maaltijden) en het meest ’s avonds (max. 74% graasactiviteit). Lammeren graasden vaak in een kudde, melkgeiten vaak in kleinere groepen.
Over het algemeen kan worden gezegd dat grasopname cijfers uit Frans onderzoek hoger zijn, en niet overeen komen met Nederland, en dus zijn de beweidingsadviezen uit Frankrijk niet volledig te gebruiken. Groei en totale droge stof opname van lammeren lijkt overeen te komen. Het graasgedrag gedurende de dag in Frankrijk lijkt deels overeen te komen met Nederland, maar doordat de weidedag korter was in Nederland waren er verschillen. Met name het graasgedrag in de namiddag/ avond van melkgeiten was in Nederland minder.