Mobile nav

Kansrijke eiwitgewassen

Home >> Duurzame landbouw >> Veredeling >> Kansrijke eiwitgewassen

Nieuwe kansen voor eiwitteelt in Nederland

De teelt van eiwitgewassen in Nederland heeft de afgelopen jaren een flinke boost gekregen. Dat is zichtbaar in de gestage groei in areaal en aan de vernieuwde belangstelling voor regionaal geproduceerd, gmo-vrij eiwit, zowel voor menselijke als voor dierlijke consumptie. Voor sommige gewassen, zoals lupine, gaat de marktontwikkeling nog heel voorzichtig. Met name veldboon lijkt echter een sterk gewas, met een gunstig perspectief qua marktkansen. In vergelijking met soja is veldboon een robuuster gewas, dat meer is aangepast aan de Nederlandse klimaatomstandigheden.

Steeds meer keuze in veldbonen
Er is veel belangstelling voor veldboon vanuit veredelaars, en met name vanuit Duitsland, Engeland en Frankrijk wordt er hard gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe rassen. Behalve een laag tanninegehalte, is daarbij ook steeds meer aandacht voor lage gehalten aan vicine en convicine in de boon. Tannines zitten vooral in de schil en kunnen door doppen verwijderd worden. Ze werken negatief op de verteerbaarheid voor varkens en kippen. Rassen zonder tannine (Taifun, Imposa) zijn makkelijk te herkennen door de volledig witte kleur van de bloem. Vicine en convicine zitten juist in de zaadlobben. Dit zijn alkaloïden die bij de mens favisme kunnen veroorzaken, een ernstige aangeboren stofwisselingsziekte waarbij rode bloedcellen worden afgebroken. Ook op leghennen kunnen vicine en convicine een negatief effect hebben. Er zijn de afgelopen jaren steeds meer rassen ontwikkeld met lage vicine/convicine gehalten (Divine, Imposa en Victus). Dit biedt zeker meer kansen voor marktontwikkeling voor humane consumptie.

Veldboon als interessant vergroeningsgewas
Het opbrengstniveau van veldbonen is op zand gemiddeld zo'n 5 ton/ha, op klei zo'n 6 ton/ha. Daarbij was 2017 een uitzonderlijk goed jaar met opbrengsten tot 8.5 ton/ha op klei. De droogtegevoeligheid van veldbonen kan echter voor een flinke fluctuatie in de opbrengst zorgen, zeker op droogtegevoelige zandgrond. Veldbonen zijn daarnaast gevoelig voor schimmelinfecties, met name chocoladevlekkenziekte en bruine roest. Als vergroeningsgewas betekent dit dat er toch wat opbrengstreductie kan ontstaan wanneer zonder fungiciden geteeld wordt. Om als vergroeningsgewas interessant te zijn, moet het als teelt ook voldoende saldo opleveren. Daarbij is het belangrijk de waarde van een gmo-vrij product te benadrukken als ook de bonus van een regionaal product met een hoog eiwitgehalte. De meeste potentie lijkt hier te liggen in korte ketens gericht op humane consumptie en in direct gebruik als veevoer op eigen bedrijf.

Winter- of zomerveldboon
De teelt van winterveldboon heeft in Nederland nog geen lange geschiedenis. Het eerste pionierswerk is gedaan door onder andere Pieter van der Burg in het Oldambt. Met name in deze regio is er veel belangstelling voor winterveldbonen omdat de bewerkbaarheid van de zware kleigrond in het voorjaar vaak lang op zich laat wachten. In het project Kansrijke Eiwitgewassen is twee jaar lang de eerste ervaring opgedaan met winterveldbonen. Het eerste jaar was zeer veelbelovend, met opbrengsten richting de 8 ton/ha. Daarmee was het een bevestiging van de eerdere ervaring van Pieter. Het afgelopen jaar kregen de winterveldbonen echter een forse klap. De winterhardheid van vooral de Engelse en Franse rassen bleek tegen te vallen, met opbrengsten van rond de 2.5 t/ha. Alleen het Duitse ras Hiverna haalde dankzij de enorme robuustheid van de plant en de enorme uitstoeling, nog een opbrengst van 5 t/ha. Dit geeft ook het risico en de kwetsbaarheid van de huidige rassenkeuze in winterveldbonen aan.

Blauwe en witte lupine
De eerste jaren van zoete lupineteelt in Nederland, waren vooral gericht op de teelt van blauwe (smalbladige) lupine. Met name in Duitsland en Polen vond veel veredeling plaats, wat zorgde voor een grote keuze aan nieuwe rassen. Uiteindelijk zijn van deze rassen maar enkele soorten betrouwbaar gebleken in opbrengst. Ook de fluctuaties in zoetheid waren in deze rassen soms groot en een aantal rassen waren erg ziektegevoelig. Iris, Regent en Boruta lijken in dit opzicht de meest stabiele rassen te zijn.

De laatste paar jaren heeft witte lupine echter een snellere ontwikkeling doorgemaakt. Witte lupine heeft als voordeel dat het voor humane consumptie maar heel weinig bewerking nodig heeft. Daarnaast zijn er een aantal rassen op de markt gekomen die – hoewel van buitenlandse veredelaars – het toch goed blijken te doen.

De grondsoort is sterk bepalend voor de rassenkeuze. Op kalkhoudende kleigrond is blauwe lupine ongeschikt vanwege de lage kalktolerantie. Op gronden die wat gevoeliger zijn voor onkruiddruk, is een vertakkend type lupine aan te raden. De meest geteelde vertakkende witte lupine rassen zijn op dit moment Butan en Feodora. De laatste rijpt een week of twee later af. Het meest geteelde kaarstype is Boros. Op dit moment wordt lupine voor humane consumptie hoofdzakelijk voor de biologische markt geteeld. Als regionaal geteelde vervanger van niet-gmo soja, kan lupine echter ook rekenen op een toenemende interesse vanuit de producenten van vleesvervangers.

Soja
De ervaringen met sojateelt zijn tot nu toe wisselend. Soja is als gewas sterk afhankelijk van optimale condities qua klimaat. Zowel de noodzaak van een wat later zaaitijdstip, als de eisen om in de herfst tot een goede en tijdige afrijping te komen, worden niet elk jaar ingewilligd. In de praktijk kan dit ook leiden tot te late afrijping en geen mogelijkheid om te oogsten. Daarnaast is het de vraag of de Nederlandse sojateelt op termijn stand kan houden, gezien het grote aanbod dat er momenteel ontstaat aan gmo-vrije soja uit Zuid- en Oost-Europa. Als het groeiseizoen goed verloopt voor de soja (geen duivenschade bij aanvang en een droge herfst voor goede oogst) liggen gemiddeld genomen de opbrengsten rond 3-4 ton/ha op klei, met uitschieters naar 4.5 ton/ha, en rond 2.5-3 ton/ha op zand. Vanwege de lange ervaring in de verwerkende en veevoer industrie, ligt hier echter een kennisvoordeel ten opzichte van veldboon en lupine.

Rapporten en artikelen
Kansrijke eiwitgewassen. Eindrapportage veldproeven 2018
Lupine voor menselijke consumptie, teelthandleiding
Zoektocht naar de betere boon  artikel vakblad Ekoland

Kansrijke eiwitgewassen is een project dat van 2016 tot 2018 gefinancierd is vanuit de Brancheorganisatie Akkerbouw. Het project is gericht op de teelt van nieuwe eiwitgewassen voor menselijke consumptie en is uitgevoerd door het Louis Bolk Instituut in samenwerking met Open teelten van Wageningen University & Research. Het project sluit nauw aan bij het project Protein-2-Food, dat tot 2020 doorloopt en is gefinancierd door het Horizon 2020 onderzoeks- en innovatieprogramma van de Europese Unie.

   

  


 

Projectleider

Udo Prins

Duurzame Teelt

Willemijn J.M. Cuijpers

Bodemvruchtbaarheid